Nieuwe gewassen maken meer lokale productie mogelijk

Het is knap lastig om een lunch en borrel samen te stellen met alleen maar Nederlandse ingrediënten. Dat ontdekte voorzitter Carline Zoete van SFYN Brabant bij het evenement Nieuwe Nederlanders. De teelt van nieuwe gewassen maakt lokale en eerlijker productie mogelijk. De bijeenkomst over nieuwe gewassen om in Nederland te telen werd georganiseerd door SFYN Brabant en FoodUp! Brabant.

Waarom eten we eigenlijk tropische mango’s en avocado’s? Dat was de vraag waar de organisatie van het evenement mee begon. Hebben we niet genoeg aan onze huidige en vergeten groentes? Of moeten we investeren in nieuwe gewassen? Mensen reizen, adopteren makkelijk buitenlandse producten, passen hun eetpatroon daarop aan, en als het toch verscheept kan worden, waarom niet? Was de aardappel niet ooit ook een exoot? Om die vragen draaide het dan ook bij ‘Nieuwe Nederlanders’, op zaterdag 20 april in Pand 18 in Den Bosch.

Nederlandse ingrediënten

Om de deelnemers makkelijker met elkaar te laten kennismaken en vast een aanzet voor de discussie te geven, regelde de organisatie vooraf een Nederlandse lunch. Dat bleek nog lastiger dan gedacht. ‘Van bepaalde producten heb je toch het idee dat ze altijd uit Nederland komen’, vertelt Carline. ‘Maar kijk je dan eens goed naar herkomst van versproducten en ingrediënten, dan blijkt dat toch vaak anders te zijn.’ Neem groente en fruit. Appels en peren komen echt niet altijd uit Nederland, dat hangt net af van de partij in de winkel. ‘Of kaas’, zegt Carline. ‘Veel melk komt wel uit Nederland, maar hoe zit dat met het stremsel en zout? Op het etiket vind je niet terug waar dat vandaan komt, en verkopers weten het ook niet. Hoe lokaal is je kaas dan?’ In Nederland wordt in Groningen, Drenthe en Overijssel zout uit de bodem gewonnen, en bijvoorbeeld uit de Zeeuwse wateren. Maar je weet niet wat de producent heeft gebruikt.

Foto: SFYN Brabant

Bij brood was het stiekem ook moeilijker dan gedacht. Een bakker wees ook op de landsgrens: mag lokaal alleen Nederlands zijn als België vlakbij is? Ook voor de borrel na afloop was het zoeken. Nederlandse wijn lukte nog wel, maar bij bier ging het mis. Om de een of andere reden konden ze geen producent vinden die Nederlandse hop gebruikte. ‘Terwijl hop hier wel groeit.’

Nedersoja nog niet winstgevend

Op de bijeenkomst zelf ging het om te beginnen over nieuwe gewassen van de afgelopen jaren. Twee van de sprekers vertelden over Nederlandse soja: Jolanda Raaijmakers van Ad Raaijmakers Akkerbouw & Gewasverzorging in Best, dat onder meer biologische soja teelt, en Henk Vermeer van Agrifirm. Soja wordt sinds 2013 in Nederland geteeld. Akkerbouwers kunnen hun soja verkopen aan de sojapool van Agrifirm, die de afzet regelt. Deze soja is bestemd voor humane consumptie, mits het eiwitgehalte voldoende is, anders wordt het alsnog veevoer – met bijbehorende lagere prijs en risico voor de boer dus. De teelt is nog niet winstgevend, vertelde Raaijmakers op de bijeenkomst. Bij haar bedrijf compenseren andere teelten de verliezen. ‘Maar we pakken nog steeds graag nieuwe gewassen op als die zich aandienen.’

Een ander punt dat bij soja speelt is dat consumenten gevestigde bedrijven als Alpro, waar de Agrifirmsoja naar toe gaat, veel kritischer beoordelen op de stappen die ze zetten op het gebied van lokaal en duurzaamheid dan nieuwkomers. Een jong bedrijf dat bijvoorbeeld een nieuwe vleesvervanger ontwikkelt krijgt daar veel minder vragen over. Onder de aanwezigen waren mensen die dat herkenden.

Foto: SFYN Brabant

Fair trade quinoa

Naast soja ging het over twee andere nieuwkomers: quinoa (mag je zowel als ‘kienwaa’ uitspreken als op z’n Nederlands ‘kienoowaa’) en zoete aardappel. Wat bij quinoa meespeelt is dat het gesleep met eiwitten over de wereld onhoudbaar wordt en dus meer eten van dichtbij moet gaan komen. Ook kun je zo consumenten meer betrekken bij wat ze in hun mond stoppen.

Rens Kuijten sprak als medeoprichter van de Dutch Quinoa Group (DQG) over quinoa, waar onder meer een teler in het Noord-Brabantse Halsteren bij is aangesloten. DQG heeft een eigen consumentenmerk, Lola Quinoa, maar levert ook quinoa voor huismerkproducten van Albert Heijn. De Nederlandse quinoa is duurder dan veel buitenlandse import. Dat moeten consumenten wel willen betalen. Als producent moet je dus de consument zien te overtuigen van het waarom, aldus Kuijten.

Dat is nog niet altijd makkelijk. Technisch gezien is hun product bijvoorbeeld ‘fair trade’ geteeld. Dat duidt op eerlijke handel en een goede positie van boeren en arbeiders in de keten, met een eerlijk loon voor de telers en goede omgang met hun rechten en gezondheid. Maar een Fair Trade-keurmerk kunnen ze daar niet voor krijgen, omdat de quinoa niet in een ontwikkelingsland is geteeld maar gewoon in Nederland.

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.